Erich von Däniken is dood en de respons is groot. Zo zie je maar hoe populair zijn theorie was dat wij hier op aarde in de oudheid antieke astronauten op bezoek kregen die ons technologische bijstand verleenden bij het bouwen van Stonehenge, de Leeuwenpoort in Griekenland, de Egyptische piramiden én Cuzco in Peru, die laatste mijn persoonlijke favoriet: onwaarschijnlijk hoe die mega-stenen als puzzelstukken in elkaar passen.

Von Däniken opereerde in de paleocontact-traditie van Louis Pauwels en Jacques Bergier en hun De dageraad der magiërs (1960); en natuurlijk Charles Fort (1874 – 1932) met zijn drie boeken Forteana.
Alle theorieën daar ontsponnen zijn nonsens, maar zeer vermakelijke nonsens. En ook von Däniken is geestig, neem nu zijn docu ‘Chariot of the gods’ uit 1970, een verfilming van ‘Waren de goden kosmonauten?’, een ware kitschklassieker.
Wie wel heel mooi heeft geschreven over de relatie tussen magie en technologie, en daar heel zinnige dingen heeft over gezegd, is Frances Yates (1899 – 1981), in werken als Giordano Bruno and the Hermetic Tradition (1964) en Theatre of the World (1969).
Als je de ladder wil afdalen naar de oorspronkelijke gedachte dat wij hier ooit bevolkt werden door wezens van een andere dimensie dan kom je bij de Griekse goden.
Dat weet H. P. Lovecraft ook natuurlijk als hij schrijft:
‘Er waren eeuwen geweest waarin andere Wezens over de aarde heersten en Zij hadden grote steden gehad. Resten daarvan, had de nooit stervende Chinees hem verteld, waren als cyclopische stenen nog te vinden op de eilanden in de Grote Oceaan.’
–“De lokroep van Cthulhu” (1928)
Een van de eersten die over die cyclopische stenen schreef was Helena Blavatsky, bijvoorbeeld in haar The Secret Doctrine (1888), hier in een Nederlandse vertaling:
‘De druïdenkringen, de dolmens, de tempels van India, Egypte en Griekenland, de torens en de 127 steden in Europa die volgens het Institut de France ‘cyclopisch van oorsprong’ zijn, zijn alle het werk van ingewijde priester-architecten, de afstammelingen van degenen die oorspronkelijk door de ‘zonen van god’ werden onderwezen, en die terecht ‘de bouwers’ worden genoemd. Het waarderende nageslacht zegt over die afstammelingen het volgende.’
Blavatsky gaat verder en citeert José de Acosta die in 1590 in Natural & Moral History of the Indies schrijft:
‘Ze gebruikten noch mortel noch cement, geen staal en geen ijzer om de stenen mee te houwen; en toch waren deze zo kunstig bewerkt dat op veel plaatsen de voegen nauwelijks te zien zijn, hoewel veel van de stenen, zoals in Peru, 5,5 m breed zijn, en in de vestingmuren van Cuzco bevinden zich nog grotere stenen.’
Maar de allereerste om gewag te maken van die cyclopische stenen, van dat cyclopisch droge metselwerk is de Griekse geograaf Pausanius die in de tweede eeuw na Christus de Leeuwenpoort beschrijft die pas in 1700 geïdentificeerd werd.
In een Nederlandse vertaling klinkt die passage van Pausanius zo:
‘Onder andere overblijfselen van den muur moet de poort worden vermeld, waarboven leeuwen staan. Zijn (de muur en de poort) zijn, volgens de sage, het werk der cyclopen, die ook den muur voor Proetus en Tiryns hebben gebouwd.’
Er is een heerlijke foto van de Leeuwenpoort in de 19e eeuw met Heinrich Schliemann en Wilhelm Dörpfeld [zie boven]. Je moet bij dat soort bouwsels altijd ook mensen afbeelden, anders geloof je nooit dat de reuzencyclopen architecten waren die ons vanuit de toekomst zijn komen helpen.
Rust zacht Erich.
