Tag Archives: RIP

RIP Paolo Taviani (1931 – 2024)

Gisteravond keek ik op Canvas naar Padre Padrone (1977). Deze trage en surreële Italiaanse kunstfilm is typerend voor het door de overheid gesubsidieerde cinematografisch modernisme van de jaren 70, met zijn nadruk op vervreemding, smerigheid en eenzaamheid.

Oorvijgscènes vind je op 39:30 en 1:28:00.

Hoewel niet zonder verdiensten is de film een onaangename kijkervaring. Enkele van de hoogtepunten zijn pratende schapen, aanzwellende muziek, tekst op het scherm, jongens die dieren molesteren en vreemde geluidseffecten.

Voor een vergelijkbaar maar leuker portret van de Italiaanse landelijke achterlijkheid, kijk je naar Christ Stopped at Eboli (1979).

De woorden hierboven schreef ik in 2006.

Eergisteren stierf Paolo Taviani.

Continue reading

RIP Brian Stableford (1948 – 2024)

Dat ik een zwak voor sciencefiction heb weten mijn collega doodgravers maar al te goed. Dus dat Brian Stableford niet zomaar een dode is, dat zijn plotse aanwezigheid hier in Dodenstad mijn aandacht opeiste, is voor hen geen verrassing.

Stableford vertaalde Robida’s Le Vingtième Siècle (1883) naar het Engels.

Stableford was een Brits academicus, criticus en sciencefictionauteur met meer dan zeventig romans op zijn naam. Voor mij is hij vooral de man die heel wat teksten van steampunk-icoon Albert Robida en andere 19de-eeuwse Franse schrijvers binnen het speculatieve idioom vertaalde. Robida schreef een belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van de toekomst, Stablefords vertalingen hielden zijn herinnering in leven.

Rust zacht Brian.

RIP Benoît van Innis (1960 – 2024)

Promofilmpje voor Instant Light

Als doodgraver heb ik zo mijn pleziertjes.

Soms neem ik eigenhandig de beitel ter hand en kap een opschrift in een grafsteen.

Ik deed dat met die van de Belgische illustrator Benoît van Innis die niet minder dan 35 bijdragen mocht leveren aan The New Yorker. Niet minder dan 35. Maar ook niet meer.

Dat hij nooit is doorgebroken als echte ‘artiest’ is hem altijd dwars blijven zitten. Geen nood, hier wordt hij in eer hersteld. Hij krijgt een mooier plekje dan veel ‘echte’ artiesten: op dat heuveltje, net een beetje hoger, lommerrijk omgeven door treurberken, waar ook Paul Ibou ligt.

Op zijn steen kap ik:

‘Ik struikel wankel door de harde vaste eeuwigheid’ van Federico García Lorca. Benoît hield daarvan.

Ik moet aan Roland Topor denken als ik Benoît zie.

Er is een promofilmpje voor Instant Light, een coronatentoonstelling die Benoît hield in Mechelen met tekeningen die hij dagelijks maakte in die surreële periode.

Op de achtergrond leest Ann Meskens mooie woorden uit Mijn laatste snik (1982) van Luis Buñuel.

Ann leest mooi voor. Ook de tekst doet mij aan Topor denken, aan Mémoires d’un vieux con (1975) bijvoorbeeld.

Iedereen hield van Benoît.

Rust zacht Benoît.

RIP Alexei Navalny (1976-2024)

If you are killed? What message will your leave behind?

Alexei Navalny verscheen op mijn radar in 2021, ik denk toen bekend raakte dat hij via zijn onderbroek met zenuwgas vergiftigd werd.

Hij stief een paar dagen geleden in een van de strafkampen van Putin. Die had hem opgesloten omdat hij een politieke concurrent van hem was en dus een dissident.

Continue reading

RIP Damo Suzuki (1950 – 2024)

In Duitsland stierf Damo Suzuki, de Japanse zanger die gedurende twee à drie jaar leadzanger bij de Duitse cultband Can was en bij wie hij teksten verzon en zong voor songs zoals “Mushroom” (1971) and “Vitamin C” (1972). Doe geen moeite die teksten te begrijpen, ze zijn als nonsensgedichten, al hebben ze bestaande woorden.

“Mushroom” (1971)

Maar daar gaat het niet om. Can is een ijkpunt in het domein van de artrock — het woord kunstrock heeft nooit ingang gevonden — waar ook Velvet Underground wat potten gebroken heeft.

“Vitamin C” (1972)

Ik leg Damo naast Jaki Liebezeit en Holger Czukay; het wachten is op Irmin Schmidt, zolang kan dat niet meer duren want Schmidt is inmiddels 87 of zo.

Rust zacht Damo.

RIP Günter Brus (1938 – 2024)

Günter Brus stierf en met hem de laatste der geweldkunstenaars die gekend stonden als Weense actionisten, een nare kunststroming die ik me alleen maar wens te herinneren als achtergrond van Sweet Movie (1974) van Dušan Makavejev.

Kunst. Skandal. Wiener Aktionisten. Günter Brus. Otto Muehl.

Die onvriendelijke woorden schreef ik op Facebook. Ik overdreef want je kan bezwaarlijk een geschiedenis van de 20ste-eeuwse kunsten schrijven zonder een hoofdstuk aan deze Weense grensoverschrijders van de jaren zestig te wijden. Bovendien wil ik het verleden nooit afzweren. ‘Transcend and include’ zeg ik altijd met de woorden van Ken Wilber, ik ga daar vandaag niet plots van afwijken.

Continue reading

RIP Aston “Family Man” Barrett (1946 – 2024)

Een nieuwe dode. Helemaal uit Jamaica. Aston “Family Man” Barrett was bassist, bandleider voor Bob Marley en arrangeur en producer van diens albums en in die zin een radertje in het universum dat Dodenstad rond mensen als Lee Perry breit.

“Liquidator” (1969)

Vroeg werk waarop je hem kan horen is “Liquidator” (1969).

“King Tubby Meets Rockers Uptown” (1974)

Jahsonic beweert dat de meest gerenommeerde track waarop je Astons bastonen horen kan “Baby I Love You So” (1974) is, en dan in het bijzonder de dubversie op de B-kant die “King Tubby Meets Rockers Uptown” getiteld was.

Aston vormde lange tijd een ritmesectie met zijn vroeg gestorven broer Carlton; andere bekende ritmesecties zijn reggae-outfit Sly en Robbie, en Bernard Edwards en Nile Rodgers van het muziekensemble Chic.

RIP Melanie (1947 – 2024)

“Brand New Key” (1971)

De Amerikaanse singer-songwriter Melanie had een mooie, hoge stem. Een hippiezangeres, zo noemde men haar een beetje neerbuigend, alsof ze alleen hippieliederen kon zingen.

We hebben vage jeugdherinneringen aan de compositie “Brand New Key” (1971) over een meisje dat met haar fiets voorbij het huis van een jongen rijdt waar ze verliefd op is. Ze skate er ook naartoe. Hij mijdt haar. Hij heeft een sleutel, zegt ze, wat gaan ze daar mee doen? Is het de sleutel die haar ontuchtige gevoelens zal ontsluiten?

Ook haar moeder zit in het complot. Ze vraagt, ‘is hij thuis’ en zij antwoord, ‘ja, maar hij is niet alleen.’

We blijven op onze honger over het slot waar de sleutel in past en wat achter slot en grendel verborgen ligt.

Niettemin, rust zacht Melanie.

RIP Carl Andre (1935 – 2024)

Carl Andre’s werk is bij 24:25

In de Verenigde Staten stierf de Amerikaanse kunstenaar Carl Andre. Hij was bekend voor twee dingen. Ten eerste Equivalent VIII (1966), een ‘kunstwerk’ bestaande uit een stapel van honderdtwintig vuurvaste bakstenen. Ten tweede zijn huwelijk met kunstenaar Ana Mendieta, wiens videowerk onlangs nog in het Middelheim te zien was. Toen die in 1985 na een ruzie met hem uit het raam van hun appartement op de 34ste verdieping viel en stierf, was hij de hoofdverdachte. Hij werd bij gebrek aan bewijs vrijgesproken.

Ik hou niet zo van zijn werk, en van het minimalisme in de kunsten ben ik sowieso een koele minnaar.

In de gedateerde maar geestige achtdelige televisiedocumentaire The Shock of the New (1980), fileert Robert Hughes de ontologie van Equivalent VIII . Dat hij daar de pissijn van Duchamp niet bij betrekt neem ik hem maar een beetje kwalijk, omdat ik van dat pissijn wél hou.

Hughes zegt:

‘Het wezenlijke verschil tussen een sculptuur als Andre’s Equivalent VIII, 1978, en elk ander kunstwerk dat daarvoor in het verleden bestond, is dat Andre’s reeks bakstenen niet slechts gedeeltelijk, maar volledig afhankelijk is van het museum voor zijn context. Een Rodin op een parkeerplaats is nog steeds een misplaatste Rodin; Andre’s bakstenen op dezelfde plaats kunnen alleen maar een stapel bakstenen zijn.’

–Robert Hughes

Desalniettemin, rust zacht Andre.

RIP Frank Farian (1941 – 2024)

Er zijn mensen die achter de knoppen zitten en knopen doorhakken maar de schijnwerpers mijden. Zo iemand was de Duitse zanger en platenproducer Frank Farian die aan de wieg stond van Boney M., No Mercy en Milli Vanilli en hits had zoals “Daddy Cool” (1976).

Farian zocht zangers en schermgezichten bijeen om zijn liedjes aan de man te brengen. Sommige van zijn zangers konden niet eens zingen. Neem de mannelijke hyperkinetische danser Bobby Farrell (1949-2010) bij Boney M. De lage tonen van ‘she’s crazy like a fool, bye bye Daddy Cool’? Die lipsyncte hij.

Gewoon met zijn lippen bewegen dus, hopelijk synchroon met de geluidsband. Frank Farian producete en zong alle zanglijnen, zowel de hoge als de lage, gewoon zelf. Wilde hij liever niet op camera komen, dacht hij op die manier meer platen te verkopen? Ik weet het niet. Platen moeten nu eenmaal gepromoot worden en zelf van televisiestation naar televisiestation reizen om er je liedjes te brengen, dat kan behoorlijk afstompend zijn.

“Baby Do You Wanna Bump” (1975)

Farian verkocht naar het schijnt meer dan 850 miljoen platen maar een van zijn eerste hits, “Baby Do You Wanna Bump” (1975), die stal hij gewoon. Het was plagiaat van Prince Busters compositie “Al Capone” (1964).

“Al Capone” (1964)

Het is een van de vele gevallen van Westerse muzikanten die uit de Afrikaanse diaspora melodieën pikten waarvoor ze de oorspronkelijke auteurs niet vermeldden en die ze dus bijgevolg ook nooit vergoedden.

Desalniettemin, rust zacht Frank.