RIP Edgar Morin (1921 – 2026)

In Frankrijk overleed de socioloog Edgar Morin (1921 – 2026). De brave man werd maar liefst 104.

Hij schreef veel maar wij lazen enkel stukken van Les stars (De sterren, 1957), een boek dat we via Midnight Movies (1983) op het spoor kwamen.

Je leest er onder andere:

“We ervaren de bioscoop in een staat van dubbel bewustzijn, een verbazingwekkend fenomeen waarbij de illusie van de werkelijkheid onlosmakelijk verbonden is met het besef dat het in wezen een illusie is.”

“Niemand die de donkere zalen bezoekt is werkelijk een atheïst. Maar onder de filmgaande massa’s kan de sekte van gelovigen worden onderscheiden die relikwieën dragen en zich op andere manieren aanbidding toeëigenen: de fanatici, de fans.”

Rust zacht Edgar.

RIP Steve Barrow (1945 – 2026)

Blood & Fire (1970)

Steve Barrow was een Brits reggaekenner en geschiedkundige van dat genre. Hij runde van 1993 tot 2007 het label Blood and Fire, niet per se genoemd naar de 1970 song van Niney the Observer met die titel want vele reggaesongs hebben het over blood and fire, logisch met hun oudtestamentische verwijzingen. Hij schreef ook The Rough Guide to Reggae (2001) en compileerde de Lee Perry-bloemlezing Arkology (1997). Hij besteedde zijn hele leven aan de reggaekunde, vanaf zijn eerste reggaewinkeltje Daddy Kool in Londen tot zijn rusthuisdagen.

RIP Steve.

RIP Dexter Wansel (1950 – 2026)

Dexter Wansel was een Amerikaans muziekschrijver en muzikant, bekend voor songs als “Yellow Sunshine” (1973), zo’n proto disco song met flink wat gitaren, een beetje in de stijl van “The Mexican”, maar dan niet helemaal; “Life on Mars” (1976), zowel als rare-groove en als jazz-funk bestempeld; en het behoorlijk gladde en verleidelijke “Nights Over Egypt” (1981).

“Yellow Sunshine” (1973)
“Life on Mars” (1976)
“Nights Over Egypt” (1981)

Rust zacht Dexter, ik leg je bij de MFSB-kliek, daar zullen ze je zoeken.

RIP Claudine Longet (1942 – 2026)

Claudine Longet was een Franse zangeres en actrice vooral bekend voor haar rol in The party (1968) waarin ze “Nothing to lose” zingt terwijl Peter Sellers, onbeschaamd in de huid van de Indische karikatuur Hrundi V. Bakshi, een geval van ‘brownface’ dat je je nu niet meer kan voorstellen, op de achtergrond vreselijk hard naar het toilet moet.

“Nothing to lose”

In de Verenigde Staten herinnert men zich ook nog de dood van haar vriendje de skikampioen, die zich ‘in de buik had geschoten’ toen hij haar wilde laten zien hoe het vuurwapen werkte. Dat trok hier in Europa minder de aandacht.

Rust zacht Claudine.

RIP Valie Export (1940 – 2026)

Valie Export was een Oostenrijkse kunstenares best gekend voor haar werk Tastbioscoop. Er bestaat een foto van die performance — en profil — die ik altijd erg teder heb gevonden. Zijn blik. Haar blik. Gewoon erg teder en ook helemaal niet vreemd.

From the Master of Art video series on YouTube

In Tapp- und Tast-Kino, zo heet dat stuk in het Duits, mocht je de borsten van Valie aanraken maar niet zien. Het jaar is 1968 en we bevinden ons in de straten van München. Peter Weibel nodigt uit. Valie stelt zichzelf ter beschikking maar eigenlijk zet ze de toetasters met haar miniatuurtheaterdoos te kijk. Zou ik er zelf op ingegaan zijn? Ik denk het wel. Wat had ik dan met die borsten gedaan? De tepels beroerd? Haar geil proberen te maken door heel zachtjes aan te raken? Er een beetje aan te trekken? Lichtjes?

Continue reading

RIP Jack Taylor (1926 – 2026)

Gisteren of eergisteren keek ik naar Succubus (1968) omdat Jack Taylor stierf, de Amerikaanse acteur die vaak met Jess Franco heeft gewerkt. In mijn jonge jaren ben ik nooit met Jess Franco in aanraking gekomen, nochtans had dat wel gekund want ik had weldegelijk Cult movie stars (1991) in huis gehaald om mezelf op de hoogte te brengen van cultfilms, maar Danny Peary, de schrijver ervan, zweeg daar in alle talen over het oeuvre van Franco, afgezien van een zijdelingse vermelding van Venus in furs (1969) in het lemma van Klaus Kinski.

Succubus

Nu ik het verder onderzoek, ook bij Sylvia Koscina krijgt Franco een vermelding, voor zijn film Deadly Sanctuary (1969), eigenlijk Marquis de Sade: Justine.

Continue reading

RIP Bruno Bischofberger (1940 – 2026)

De man met de zeis kwam de Zwitser Bruno Bischofberger (1940 – 2026) halen en hij bracht hem recht naar Dodenstad. De kunstdealer en verzamelaar, vooral bekend als gallerist van Andy Warhol, zal met de nodige plechtstatigheden door mij en mijn team ten grave gedragen worden.

De kunsthandelaars hebben een eigen perk, het bevindt zich tussen het perk van de kunstenaars en dat van de bankiers. Je vindt er illustere voorgangers zoals Jacopo Strada, Edme-François Gersaint en Edmond Bonnaffé; en er is alvast plaats voorzien voor Larry Gagosian en Charles Saatchi, nu nog twee krasse tachtigers zoals Bruno was, maar voor hoelang nog?

Bischofberger en zijn vrouw Yoyo lieten in Zürich een huis door de architect Ettore Sottsass bouwen. In Lanaken, Limburg staat ook woning van de Italiaanse grootmeester, gebouwd in opdracht van meubelmaker Ernest Mourmans.

Maar dat doet weinig ter zake, want rust zacht Bruno.

RIP Georg Baselitz (1938 – 2026) 

Het is met enige tegenzin dat ik de Duitse schilder Georg Baselitz hier zal begraven. Ik kon haast mijn lach niet inhouden toen men mij belde en vroeg of ik in mijn eulogie een vergelijking met Gerhard Richter wilde maken. Ik vertik het. Ik zal iets zeggen over Jean Rustin, dat wel. Rustin was de meester van de lelijkheid, in die zin dat ik via Rustin wél de schoonheid van de lelijkheid kon zien. Bij Georg zie ik dat amper, behalve bij sommige van zijn tekeningen. En dan is er nog de zaak van dat zelfportret van hem, naakt met een gigantische piemel, maar een afzichtelijk, schijnbaar uit etensresten samengesteld lichaam.

Enfin, ik zal er het beste van maken, hopelijk komen er geen klachten. Dodenstad mag dan wel geen concurrentie hebben, slechte reviews kunnen we missen als kiespijn.

En desalniettemin, rust zacht Georg.

RIP Beverley Martyn (1947 – 2026)

“Sweet Honesty” (1970)

Beverley Martyn was gedurende tien jaar de echtgenote van John Martyn (1948 – 2009). Ze maakten samen Stormbringer! (1970) en The Road to Ruin (1970).

Songs zoals “Sweet Honesty” en “Primrose Hill” moeten niet onderdoen voor het beste van Joni Mitchell, Joan Armatrading of Lani Hall.

“Primrose Hill”

Toen ze samen kinderen kregen liet ze haar man alleen verder werken. Die zou nog tracks uitbrengen als het geweldige “Solid Air” (1973).