Met de uitvaart van Brigitte Bardot zijn we een hele week bezig geweest. De toeloop was enorm. Er was een land in rouw. Wat zeg ik, de boomers van een continent waren in rouw. Brigitte Bardot was onze James Dean, onze Marlon Brando, ogenschijnlijk een rechtstreekse afstammelinge van rebel Jeanne D’arc.
Brigitte werd uitbundig gevierd en het laatste lied dat die laatste avond over de zerken van Dodenstad schalde — het was toen al bijna ochtend, de ochtenden beginnen nu al tien minuten later dan op het winterpunt van twee weken geleden — was “Je danse donc je suis” uit 1964. ‘Ik dans dus ik ben’, een woordspeling op Descartes’s ‘Je pense donc je suis.’
Het refrein klinkt in het Nederlands zo, het homoniem ‘suis’ (ik ben) ‘suis’ (ik volg) ging helaas verloren in de vertaling:
Ik dans, dus ik ben
Jij danst en ik volg
Maar als ik je volg, maak jezelf niets wijs
‘t Is voor de dans, niet voor het leven
–“Ik dans, dus ik ben” (1964)
Buiten waren de demonstranten nog niet vertrokken. Een hele week zijn ze gebleven. Tot het allerlaatste protesteerde de meute alsof Brigitte een of andere Michael Jackson was geweest, terwijl ze — naaste een film of twintig — alleen maar de rol van mensenhater en dierenvriend had gespeeld.
Rust zacht Brigitte.
