Party people, party people Can y’all get funky? –“Planet Rock” (1982)
Afrika Bambaataa is DJ en bandleider in New York als hij in 1982 met “Planet Rock” doorbreekt. Het is een nummer waar ik niet zoveel aan vind behalve dat het twee tracks van persoonlijke lievelingen Kraftwerk samplet: “Trans Europe Express” (1977) en “Numbers” (1981). Ik las ergens — ik weet niet meer waar — dat de Kraftwerkers ooit in de legendarische discotheek Paradise Garage in New York hun muziek plots hoorden en daar heel opgetogen over waren.
In het “A – Z van Electro” uit 1996 van David Toop heeft Bambaataa de letter ‘B’:
‘Stadsastronaut Afrika Bambaataa en producer Arthur Baker, samen met muzikant John Robie, vormden het trio achter een muzikale revolutie genaamd ”Planet Rock”‘.
Niet verwonderlijk heeft Kraftwerk de letter ‘K’. Toop weer:
‘Kraftwerk waren de ‘showroom dummies’ die Bambaataa ertoe brachten zich achter de oren te krabben en te zeggen: “Excuses voor mijn taalgebruik, maar dit is echt rare shit”. […] Het idee muziek te maken met zakrekenmachines sprak jongeren aan die gewend waren om op vinyl te scratchen.’
Zo is het maar weer. Het was de tijd van de electro, toen de Roland TR-808 al op de markt was, maar techno nog geboren moest worden.
Meneer Crofts zat achter een liedje over een zomerbriesje, “Summer Breeze” uit 1972, prachtig gecoverd door Jackie Mittoo. Zijn co-auteur stierf al in 2022.
James Gadson drumde op een liedje over zelfexpressie, toepasselijk “Express Yourself” (1970) getiteld.
Maar Gadsons grooves hoor je ook op “Lean On Me” (1972) en “Use Me” (1972) van Bill Withers, “I Want You” (1976) van Marvin Gaye, “Love Hangover” (1976) van Diana Ross en “Got to Be Real” (1978) van Cheryl Lynn.
Wild ding, je laat mijn hart zingen Je maakt alles zo groovy, wild ding Wild ding, ik denk dat ik van je hou Maar ik wil het zeker weten!
Een paar dagen geleden stierf de Amerikaanse songschrijver Chip Taylor (1940 – 2026) de man achter “Wild Thing” (1965) en “Angel of the Morning” (1967), twee songs die er voor zouden moeten gezorgd hebben dat de brave man ‘binnen’ was, want het waren, denk ik, wereldhits.
Wie van ons heeft als tiener niet dronken rond het kampvuur “Wild Thing” meegebleird, ondertussen loerend en lonkend naar het “wild ding” dat hij of zij op het oog had, haar Hansje of zijn Grietje die de baby van de komende generatie in zijn of haar pupillen gebrand had staan maar die misschien niet de loerende blik beantwoordde maar andere ogen zocht? Ach, het genoegen, de teleurstelling, het drama, de verveling!
In de VS stierf Country Joe McDonald bekend voor zijn lied “I-Feel-Like-I’m-Fixin’-to-Die Rag”. Wablieft, hoor ik u zeggen. Wacht, ik zing het u voor:
And it’s 1, 2, 3 What are we fighting for? Don’t ask me, I don’t give a damn Next stop is Vietnam
Country Joe had zelf dienstgedaan in het Amerikaanse leger en in deze song protesteert hij tegen de Amerikaanse oorlog tegen Vietnam, een van de vreemdste oorlogen aller tijden: een deel van Vietnam was communistisch geworden en de VS wilde in het kader van de Koude Oorlog beletten dat de rest van Azië zou volgen. Wie kon daar nu het nut van inzien, van zo’n oorlog, helemaal aan de andere kant van de wereld, je wist niet waarvoor je vocht, niemand had je aangevallen, en economische belangen veroveren, welke? De intelligentsia waren tegen deze oorlog. Noam Chomsky was er uitgesproken tegenstander van, maar hij was jammer genoeg zelf een communismeapologeet.
Van het graf van Country Joe raad ik u aan door te stappen naar het graf van Henry Miller (1891 – 1980) een paar perken verder. Miller schreef in 1956 de roman Quiet Days in Clichy die veertien jaar later een Deense verfilming zou krijgen waar Country Joe muziek bij verzon. Zeer matige film, oké novella, maar Parijs tussen de twee wereldoorlogen? Prachttijd. Lees vooral ook Paris was our mistress (1947) van de fascinerende Amerikaanse schrijver — ook iemand met communistische sympathieën trouwens — Samuel Putnam, vader van de veel bekendere en, de tijd vliegt, ook al overleden filosoof Hilary.
Ook dood: de Amerikaanse songwriter, pianist en zanger Neil Sedaka. Hij verkocht wereldwijd miljoenen platen en schreef of mede-schreef meer dan vijfhonderd nummers voor zichzelf en andere artiesten, waarbij hij voornamelijk samenwerkte met tekstschrijvers Howard Greenfield en Phil Cody.
Dat was in de pre-Beatles dagen en je moet maar even naar pulp als “Oh! Carol“ (1959), populair op de popcornscene in Vrasene; “One Way Ticket” (1959), door Eruption in een disco-versie gebracht; ”Breaking Up Is Hard to Do” (1962); en “Stupid Cupid” (Connie Francis), dat kruipt vaak in mijn hoofd, ‘stupid Cupid stop picking on me!’, luisteren om te beseffen dat hun tijd om was.
Maar Sedaka schreef wel vijfhonderd nummers. Dat is ongeveer zoveel als Serge Gainsbourg.
Rosemary Blue
Hier, voor vandaag, een nummer van Sedaka en zijn tekstschrijver Greenfield gebracht door de betreurde Andy Bey (1939 – 2025) van zijn cultplaat Experience and Judgment (1974).
In Engeland nu, we zitten in Engeland. Daar stierf Pete Dello en die had een hitje in 1971 met het Kinksiaanse “It’s the way” en dat ging over de manier waarop zijn meisje de dingen deed.
Niet de manier waarop je staat, je haar kamt, je maquilleert, opvalt, rood wordt, staart, nee, dat niet, maar wel de manier waarop je ‘s ochtends ‘mooie dag!’, ‘hoe gaat het?’ of ‘hallo!’ zegt. Een ochtendmeisje dus.
Het was een tijdje geleden dat ik haar werk beluisterd had, maar L’Île Re-Sonante (1967) van de in Parijs geboren en net overleden Éliane Radigue heb ik vaak opgezet. Dat is dronemuziek, en ‘drone’ is verwant aan ‘dreun’, dus verwacht u aan monotone, dreinerige ‘muziek’. Ik zet muziek tussen aanhalingstekens want velen zullen zeggen dat het geen muziek is maar ‘geluid’, en dat mag. Toch is ze wereldberoemd bij avontuurlijke muziekliefhebbers en muzikanten.
L’Île Re-Sonante (1967)
Wie van ASMR houdt zal een aanknopingspunt vinden met de begrippen ‘white noise’ en ‘brown noise’.
Nu het over dreunen en dreinen gaat, de mooiste der drone-composities is die van Wagner uit 1854, uit de prelude van Rheingold, prachtig is die. Wij hebben die Rheingoldprelude leren kennen via de film Nosferatu the Vampyre (1979) met Klaus Kinski, uit de scène waar het hoofdpersonage per paard de tocht naar het kasteel van de vampier aanvat, ergens in Transsylvanië, want daar wonen die altijd. Die scène duurt lang, Herzog heeft er zijn tijd voor genomen en bijna die volledige prelude uitgespeeld.