Er werd weer wat gestorven en alles verliep naar wens dankzij mijn solide team doodgravers.
De ene deed Rob Reiner, de regisseur die door zijn eigen zoon werd doodgestoken, de man die twee romans van Stephen King (het breken van de voeten in Misery, auch!) verfilmde; de man van de cultklassieker This is spinal tap (‘deze speaker gaat tot elf!’) die ik nooit zo grappig vond; en ook de man van When Harry met Sally… (1989) met Meg Ryans fake orgasme in dat restaurant. Erg vertederend in die film, Meg, dat moet ik je nageven.
Een ander deed de uitvaart van de Franse schoonheid Françoise Brion die 92 geworden was en onder andere in L’Immortelle de hoofdrol had gespeeld, een film van erotomaan Alain Robbe-Grillet. Françoise maakt de tijd van de stoeipoezen mee en gaat een paar keer totaal gratuit uit de kleren in de film Les Bijoux de famille, dat was in 1975, te midden van het gouden decennium van de stoeipoezerij.
Een derde doodgraver verzorgde de uitvaart van Carl Carlton (iemand lachte Karl Karton!, ik zette hem op zijn plaats, ‘we zijn hier wel in Dodenstad hé jongen!’), de Amerikaanse zanger van “Everlasting Love” en het erg vrolijke nummer “She’s a Bad Mama Jama (She’s Built, She’s Stacked)”.
Zelf hield ik me bezig met de laatste groet aan John Carey (1934 – 2025) wiens boek The intellectuals and the masses (1992) ik ooit van kaft tot kaft heb gelezen, het is tot op heden van enige invloed op mijn kennis van de twintigste-eeuwse literatuur; zo’n boek net zoals dat van Mario Praz, waar je bij elke lezing nieuwe informatie uithaalt. The intellectuals and the masses is het verhaal van de modernistische schrijvers van de eerste helft van de 20ste eeuw die om de proletenmeute uit te sluiten expres zo ontoegankelijk mogelijk gingen schrijven. Ik zou te ver gaan deze schrijvers fascistoïde te noemen, maar antidemocratisch waren ze beslist.
Continue reading

