Tag Archives: Dutch literature

RIP Cees Nooteboom (1933 – 2026)

‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.’

De zin is van Cees Nooteboom en hij tekende hem op in zijn roman Rituelen (1980). Het is een prachtige zin, een aformismeboek waardig, maar ik was hem helaas vergeten.

Hij komt uit de openingsalinea van die roman:

‘Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philips 149.60 . De slotkoers van Amsterdamse Bank was 375 geweest en Scheepvaart Unie was gezakt naar 141,50. Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil. En dat is wat hij zich herinnerde, áls hij zich iets herinnerde, de koersen, en dat de maan in de gracht geschenen had, en dat hij zich had opgehangen in zijn wc omdat hij in zijn eigen horoscoop in Het Parool voorspeld had dat zijn vrouw ervandoor zou gaan met een ander en dat hij, Leeuw, dan zelfmoord zou plegen. Het was een volmaakte voorspelling. Zita ging ervandoor met een Italiaan en Inni pleegde zelfmoord. Een gedicht van Bloem had hij ook nog gelezen, maar hij wist niet meer welk. De hond, dat eigenwijze dier, liet het wat dat betreft afweten.’

Een ook die alinea was ik vergeten.

En dat prachtige schilderij op de cover? Van wie is dat? Magritte? Heb ik dat ooit geweten? In elk geval ben ik het nu vergeten.

Maar dat doet vandaag weinig ter zake want rust zacht Cees.

RIP Jan Cremer (1940 – 2024)

‘Goed, goed, goed, mag niet klagen’, Jan Cremer geïnterviewd in New York.

Ook ik, Leonardo, hoofddoodgraver van Dodenstad was ooit jong.

En toen las ik Ik, Jan Cremer (1964), de laatste schelmenroman der Nederlandse taal, en ik herinner me hoe onze held Jan op een nacht op het dek van een boot met een vrouw vrijde die haar maandstonden had. Hij had dat niet door en werd ’s ochtend helemaal bebloed wakker, zonder zich te kunnen wassen.

En in een andere scène is hij ’s nachts aan het liften en een auto die hem voorbijrijdt gooit een brandende peuk uit het raam. Hij ziet dat gloeiend puntje vliegen en rent het honderden meters achterna omdat hij zoveel zin in tabak heeft. Het is mooi dat ik mij dat nog herinner.

Rust zacht Jan.

RIP Wim de Bie (1939 – 2023)

‘Ik vind trouwens die hele lente een obsceen jaargetijde. Met die bloemen die maar schaamteloos opengaan, zodat je in die kelken kan kijken. En zie je die vieze meeldraden en stampers open en bloot hangen. Nou, ik heb daar niet om gevraagd. Laten ze die viezigheid voor zich houden!’–Wim de Bie als O. den Beste, oud-leraar Duits.
Continue reading

RIP Jeroen Brouwers (1940 – 2022)

Jeroen Brouwers was a Dutch writer known for such novels as Sunken Red (1981).

Sunken Red, Cassiers play.

Sunken Red (1981) is the story of the author locked up with his mother in a Japanese concentration camp.

Published after the death of his mother, it is a reflection of the coping process of his years in these Japanese internment camps. 

Guy Cassiers directed a play based on the English translation of the book. It starred Dirk Roofthooft.

RIP K. Schippers (1936 – 2021)

K. Schippers was a Dutch poet (“Ja”), prose writer and art critic (Eb, 1992).

There are so many reasons to praise Schippers but I shall give only one. The magazine Barbarber (1958–71) which he co-founded and edited, introduced the nobrow sensibility to The Netherlands.

An issue of Barbarber

Nobrow means the appreciation and mixing of high and low culture, exemplified in the case of Barbarber on the high culture side by Duchamp, Satie, Schwitters and Carroll and at the low culture side by Krazy Kat, Laurel and Hardy, The KillingKiss Me Deadly at the low end.

The word barbarber is a portmanteau of barbaar (barbarian) and rabarber (rhubarb).

RIP Jules Deelder (1944 – 2019)

‘Deelder draait’ (2002), compiled by Deelder

Two art icons of the Low Countries, the area where I live and where Dutch is spoken, died. One was an artist, the other a poet.

One is Panamarenko (1940 – 2019) and I reported his death here.

The other is the Dutch poet Jules Deelder (1944 – 2019).

When the second died I felt empathy, some sense of loss that I had not felt with the first.

And then it dawned on me why that was. To me, Panamarenko was but some sort of town’s fool who made art to amuse the rich or for the ‘poor little rich folk’ who were in search of their inner child and recognized in him their boy’s dream. Although I did not dislike him, my feelings toward him had been at best ambiguous.

Deelder was another case altogether.

I’d always liked him. He was punk. He was into drugs. He snorted speed. He looked stylish. He was into music. He made poetry cool. He made art for the rich and poor. He crossed boundaries. He was sharp. He was funny.

For an international audience, there are a set of four jazz compilations: ‘Deelder draait’ (2002), ‘Deelder draait door’ (2003), ‘Deelder blijft draaien’ (2004) and ‘Deelderhythm’ (2006).