Dodenstad verwelkomt de eerste bewoner van het jaar. Béla Tarr was een Hongaars filmmaker in de trage-cinema-traditie van Andrei Tarkovsky.
Trailer van The Turin Horse
Béla, in mijn hoofd blijf je verbonden met Nietzsche en Simenon. Over Nietzsche maakte je een film met de titel The Turin Horse (2011) en die titel verwijst naar Nietzsche die in Turijn een paard omhelsde dat door zijn baas mishandeld werd. Dit was het moment dat hij zijn verstand verloor en er voor altijd het zwijgen toe zou doen; een klein jaar nog en zijn piepgaatje zou zich voorgoed sluiten.
Van Simenon verfilmde je in 2007 heel vrijelijk De man uit Londen (1937).
Met de uitvaart van Brigitte Bardot zijn we een hele week bezig geweest. De toeloop was enorm. Er was een land in rouw. Wat zeg ik, de boomers van een continent waren in rouw. Brigitte Bardot was onze James Dean, onze Marlon Brando, ogenschijnlijk een rechtstreekse afstammelinge van rebel Jeanne D’arc.
Brigitte werd uitbundig gevierd en het laatste lied dat die laatste avond over de zerken van Dodenstad schalde — het was toen al bijna ochtend, de ochtenden beginnen nu al tien minuten later dan op het winterpunt van twee weken geleden — was “Je danse donc je suis” uit 1964. ‘Ik dans dus ik ben’, een woordspeling op Descartes’s ‘Je pense donc je suis.’
Je danse donc je suis
Het refrein klinkt in het Nederlands zo, het homoniem ‘suis’ (ik ben) ‘suis’ (ik volg) ging helaas verloren in de vertaling:
Ik dans, dus ik ben Jij danst en ik volg Maar als ik je volg, maak jezelf niets wijs ‘t Is voor de dans, niet voor het leven
–“Ik dans, dus ik ben” (1964)
Buiten waren de demonstranten nog niet vertrokken. Een hele week zijn ze gebleven. Tot het allerlaatste protesteerde de meute alsof Brigitte een of andere Michael Jackson was geweest, terwijl ze — naast sekssymbool in een film of twintig — alleen maar de rol van mensenhater en dierenvriend had gespeeld.
Chris Rea was een Engels muzikant en songschrijver gekend voor liederen als “Fool (If You Think It’s Over)” (1978) [Dommerik als ge denkt dat ‘t gedaan is] en “Josephine” (1985) [dat geen vertaling behoeft].
“Josephine” was een hitje dat later op de ‘Balearic scene’ zou gedraaid worden in een verlengde versie. Met die ‘Balearic scene’ werd Ibiza bedoeld, waar ooit een strandcafé zat van waaruit men de zonsondergang kon zien en waar altijd rustige muziek werd gedraaid. Een verademing na het geweld van de house, acid en techno. Zo zat het in mijn herinnering. Maar het is niet waar. Die Balearic sound wordt al vermeld in Energy Flash (1998) van Simon Reynolds en daar staat het zo:
‘“Balearic” verwees naar de dj-stijl van Alfredo Fiorillo [1953 – 2024], een voormalig journalist die het fascistische regime van zijn geboorteland Argentinië was ontvlucht naar het relaxte bohemienleven op Ibiza.’
Alfredo’s DJ-sets waren eclectisch en niet alleen puur dance gericht, eigenlijk wel passend bij zo’n café bij zonsondergang. Trouwens, de bar die ik in mijn hoofd had, nu schiet het me te binnen, is Café del Mar
En Josephine, wie zou hij bedoeld hebben. Welke van deze twee is de bekendste Josephine? Josephine Baker of Joséphine de Beauharnais?
Doet het ertoe? Ik dacht het niet. Rust zacht Chris..
Er werd weer wat gestorven en alles verliep naar wens dankzij mijn solide team doodgravers.
De ene deed Rob Reiner, de regisseur die door zijn eigen zoon werd doodgestoken, de man die twee romans van Stephen King (het breken van de voeten in Misery, auch!) verfilmde; de man van de cultklassieker This is spinal tap (‘deze speaker gaat tot elf!’) die ik nooit zo grappig vond; en ook de man van When Harry met Sally… (1989) met Meg Ryans fake orgasme in dat restaurant. Erg vertederend in die film, Meg, dat moet ik je nageven.
Een ander deed de uitvaart van de Franse schoonheid Françoise Brion die 92 geworden was en onder andere in L’Immortelle de hoofdrol had gespeeld, een film van erotomaan Alain Robbe-Grillet. Françoise maakt de tijd van de stoeipoezen mee en gaat een paar keer totaal gratuit uit de kleren in de film Les Bijoux de famille, dat was in 1975, te midden van het gouden decennium van de stoeipoezerij.
Een derde doodgraver verzorgde de uitvaart van Carl Carlton (iemand lachte Karl Karton!, ik zette hem op zijn plaats, ‘we zijn hier wel in Dodenstad hé jongen!’), de Amerikaanse zanger van “Everlasting Love” en het erg vrolijke nummer “She’s a Bad Mama Jama (She’s Built, She’s Stacked)”.
Zelf hield ik me bezig met de laatste groet aan John Carey (1934 – 2025) wiens boek The intellectuals and the masses (1992) ik ooit van kaft tot kaft heb gelezen, het is tot op heden van enige invloed op mijn kennis van de twintigste-eeuwse literatuur; zo’n boek net zoals dat van Mario Praz, waar je bij elke lezing nieuwe informatie uithaalt. The intellectuals and the masses is het verhaal van de modernistische schrijvers van de eerste helft van de 20ste eeuw die om de proletenmeute uit te sluiten expres zo ontoegankelijk mogelijk gingen schrijven. Ik zou te ver gaan deze schrijvers fascistoïde te noemen, maar antidemocratisch waren ze beslist.
The intellectuals and the masses
Ik heb over de dood van Carey geen Vlaamse necrologie gelezen, noch in DM, noch in DS. Bij ons hebben Ruiter en Smulders in hun boek Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (1996) het modernisme dat Carey bekritiseert het ‘aristo-modernisme’ genoemd. Tot dat soort modernisten rekenden zij Greshoff, Du Perron, Stols, Ter Braak, Marsman, Bloem en Huizinga, en hun voorloper was Lodewijk van Deyssel.
Tijdens mijn voorlopig laatste lezing van The intellectuals vind ik deze keer het boek Instincts of the herd in peace and war (1916) van de Engelse chirurg Wilfred Trotter, een boek in de stijl van cultuurpessimisten Gustave Le Bon (1841 – 1931) en José Ortega y Gasset (1883 – 1955); en ik lees dat Vernon Lee bij Instincts protesterende marginalia maakte die in haar boek Music and its lovers (1932) verder uitgewerkt werden.
Als ik Vernon Lee vervolgens verder uitdiep, blijkt ze een generatiegenoot van persoonlijke held James Huneker te zijn en Huneker citeert haar ook in zijn Iconoclasts: a book of dramatists en in Egoists: a book of supermen. Ook Patricia De Martelaere vermeldt Lee in haar De kleur van klanken (1993) en ik verpoos zo’n 24 uur bij Vernon Lee die ook een goede vriendin van Mario Praz was, hier ten huize welbekend.
Maar wat heeft dat in godsnaam met Carey te maken?
Niets, Jahsonic, niets.
Maar dit wel: Er is op YouTube een opname van Clive James die John Carey interviewt in zijn webshow ‘Talking in the Library’, waarschijnlijk naar aanleiding van de publicatie van Carey’s What good are the arts? (2005). Tja, waartoe dienen de kunsten. Vraag dat maar eens aan George Steiner die ons vijf jaar geleden verliet. Die verwoordde het ooit zo: ‘We weten niet of de studie van de geesteswetenschappen, van het edelste dat ooit is gezegd en gedacht, veel kan bijdragen aan de menselijkheid. We weten het niet; en er schuilt zeker iets vreselijks in onze twijfel of de studie van en het plezier dat een man vindt in Shakespeare hem minder geschikt maken om een concentratiekamp in te richten.’
Die woorden zullen u zeker bekend geweest zijn, John, maar voor nu, rust zacht.
Ook de Britse fotograaf Martin Parr is voor altijd weg. Ik heb ooit enkele uren gespendeerd aan het volledig doorbladeren van zijn boek der fotoboeken: The Photobook: A History (drie volumes, 2004, 2011, 2019) die ze in de collectie van onze academie hebben.
Wrinkled hand and wrinkled apple from The Moon Considered as a Planet, a World, and a Satellite (1871) uit ‘The Photobook: A History’, de driedelige reeks over fotoboeken.
Mijn vroegste herinnering aan Parr is een zijner foto’s, opgeblazen over een hele muur in de zaak van Celeste Verhoeven in de Hoogstraat. Een foto van een ijsjeszaak als ik mij goed herinner. Zeker iets met ijsjes.
Parr was een antropologisch fotograaf, of een documentair fotograaf zoals u wil, met veel aandacht voor de werkende klasse en hun gewonigheden.
Frank Gehry stierf, de ontwerper van het Guggenheim Bilbao, de man die een architecturale stroming belichaamde die de verdachte naam ‘deconstructivisme’ droeg. Bouwen en afbreken tegelijkertijd, dat kon in de twintigste eeuw.
We namen afscheid van songschrijver en gitarist Steve Cropper die met Booker T. & the M.G.’s furore maakte, vaak tot middernacht wachtte, naar eigen zeggen maar beter hout kon vasthouden, en aan de kaaien van de dokken ging zitten om te kijken hoe de getijden in en uit rolden.
Steve was zo wit als een witte keukenhanddoek, ik vind dat u dat moet weten, zijn band was gemengd van kleur.
Tom Stoppard was een Engels toneelschrijver misschien vooral bekend van het enigmatische stuk Rosencrantz and Guildenstern Are Dead (1966), dertig jaar later door de man zelf verfilmd met Tim Roth en Gary Oldman in de hoofdrollen. Dat maakt hem ook een filmschrijver.
‘Game of questions’ uit de film van Stoppard over de twee bijfiguren uit Hamlet
In die hoedanigheid was hij een van de drie scriptschrijvers van Brazil (1985) van Terry Gilliam, een film die ik onlangs nog eens vol bewondering helemaal uitkeek, en waarvan ik alleen de droomscènes stom vond. Toen de film uitkwam hebben mijn gezelschap en ik de bioscoopzaal tijdens die film verlaten, wij vonden het toen nonsens. Lag dat aan die droomscènes?
Buttle ofTuttle? Uit Brazil (1985)
Ik heb Stoppard een plaats gegeven in de buurt van Peter Brook en Dennis Potter. Van die plek naar Shakespeare? Dat zou te voet onder de tien minuten moeten kunnen.
Amanda Feilding liet ooit een gaatje in haar schedel boren om permanent verlicht te zijn, verlicht in de transcendente zin van het woord. In 1970 verblijdde ze de wereld met een twaalf minuten durende documentaire over die operatie, met boren en alles; afgewisseld met beeldmateriaal van haar lievelingsduif.
“Heartbeat in the Brain” (1970)
Dat schedelgaatjesboren was echt een ding, lange tijd schaafde men gewoon tot er een gat was. Men raadde het aan voor van alles nog wat voor, een beetje zoals aderlaten, dat ook millennia lang een beproefde remedie was voor allerlei aandoeningen.
Een van haar kompanen, schreef over zijn operatie, over zijn schedelboring met een tandartsboor een boek in 1975, Bore hole, en daar lezen we:
‘Na enige tijd klonk er een onheilspellend geluid en het geluid van borrelen. Ik trok de boor eruit en het borrelen ging door. Het klonk alsof er luchtbellen onder de schedel liepen terwijl ze eruit werden gedrukt. Ik keek naar de boor en er zat een stukje bot in. Eindelijk!’
‘… Toen ik de boor terugtrok, stroomde er een grote hoeveelheid bloed uit. In de spiegel zag ik het bloed in het gat op en neer gaan met de hartslag van de hersenen. Ik was opgetogen. Ik had mijn angst overwonnen en nu had ik ook mijn twijfel overwonnen.’
Rust zacht Amanda, ik heb je naast Timothy Leary gelegd.
Jimmy Cliff was een Jamaicaans zanger bekend voor nummers als “Many Rivers to Cross” (1969) en “You Can Get It If You Really Want” (1970), liedjes die in de film The Harder They Come (1972) voorkwamen.
Mijn gedachten dwalen af naar de rivieren die Cliff zonder succes probeerde over te steken, hoe hij dwaalde en verloren liep op weg naar de witte kliffen van Dover. De kliffen uit zijn naam.
Maar, zowaar als de zon schijnt, hij zou het deel krijgen dat hem toekwam. Hoe sneller ze stijgen, hoe sneller ze vallen!, behalve hij.
Hij zou krijgen wat hij wilde omdát hij het wilde. De wens is immers de vader van de gedachte. Proberen, proberen, proberen. Slagen zou hij. ‘Word bokser, meer kans op slagen!’ Rome is ook niet in één dag gebouwd, en ja, je hebt tegenstand ondervonden. Tot nu. Tot hier. Het einde.