Nu Dolly dood is kom ik allerlei over haar aan de weet. Vroeger was ze gewoon de zangeres van “Jolene” (op die song werd wild gedanst in café Bar Tabac waar ik begin jaren 2000 vaak uitging en hij kreeg een plaats in de door mij gecompileerde Jahsonic 1000) en van de song “9 to 5” (een meezinger uit mijn jeugd); nu blijkt ze plots een held voor Belgisch roodgroen, ik wist dat niet. In de interviews die ik met haar te zien krijg bedankt ze God net iets teveel naar mijn goesting maar dat doet allemaal weinig ter zake want rust zacht Dolly).
Op de foto van links naar rechts: Tomlin, Parton en Fonda in 9 to 5. Ik heb een zwak voor Tomlin.
Wist u trouwens dat een andere Parton, James Parton (1822 – 1891), schrijver was van Life of Voltaire (1886)?
On the Justice of Roosing Chickens (2003) van Ward Churchill
In 2022, toen Joseph Ratzinger stierf, beter bekend als Paus Benedict de Zestiende, opende ik het schandperk van Dodenstad. Ik heb daar een dubbele verhouding mee, met dat perk. Eigenlijk zou ik die doden daar liever niet begraven, ik zou die doden liever de toegang tot het kerkhof weigeren maar ik heb daar weinig keus in, er zijn hogere machten in het spel. Toch verzet ik me vaak met hand en tand en dus liggen er nog maar drie doden nu: die paus, de recent overleden tele-evangelist Pat Robertson en Ward Churchill, de antiwesterse activist, wiens stoffelijk overschot hier vorige week werd bezorgd.
Ward Churchill was de Amerikaanse academicus die On the Justice of Roosting Chickens (2003) schreef, een boek dat haarfijn uitlegde waarom de 9/11 aanslagen het verdiende loon van de VS waren, gezien wat ze de rest van de wereld hadden aangedaan. Het rare is, beste lezer, dat ik vroeger exact dezelfde mening was toegedaan. Ik herinner me nog haarfijn in welk een triomfantelijke bui ik me bevond toen ik als zesendertigjarige man naar huis probeerde te rijden, daarin belet door de files, nadat ik in het Huis van de Toekomst de tweede Boeing 767 in de WTC-torens had zien crashen. Ik ben sindsdien tot inkeer gekomen. In zekere zin ben lang puber gebleven. Of was het de langdurige invloed van mijn haast religieuze wekelijkse lezing van het blad HUMO?
In Amerika stierf James Blood Ulmer. Minstens een elpee in zijn oeuvre werd opgenomen door Bill Laswell.
Momentarily
Daar staat onder andere een track op van Erykah Badu. Een matige elpee van Laswell is beter dan een betere elpee van gelijk wie. Ook hier dus.
In het begin van zijn carrière maakte Ulmer avant-funk-achtige no wave die maar moeilijk te verhapstukken was maar daardoor behapbaar voor de blanke rockliefhebber die Rough Trade als een kwaliteitsgarantie zag. Trouser Press zegde dat alleen de reeds dode Jimi Hendrix zijn gelijke was. Maar dat doet nog weinig ter zake want rust zacht James.
Dexter Wansel was een Amerikaans muziekschrijver en muzikant, bekend voor songs als “Yellow Sunshine” (1973), zo’n proto disco song met flink wat gitaren, een beetje in de stijl van “The Mexican”, maar dan niet helemaal; “Life on Mars” (1976), zowel als rare-groove en als jazz-funk bestempeld; en het behoorlijk gladde en verleidelijke “Nights Over Egypt” (1981).
“Yellow Sunshine” (1973)
“Life on Mars” (1976)
“Nights Over Egypt” (1981)
Rust zacht Dexter, ik leg je bij de MFSB-kliek, daar zullen ze je zoeken.
Gisteren of eergisteren keek ik naar Succubus (1968) omdat Jack Taylor stierf, de Amerikaanse acteur die vaak met Jess Franco heeft gewerkt. In mijn jonge jaren ben ik nooit met Jess Franco in aanraking gekomen, nochtans had dat wel gekund want ik had weldegelijk Cult movie stars (1991) in huis gehaald om mezelf op de hoogte te brengen van cultfilms, maar Danny Peary, de schrijver ervan, zweeg daar in alle talen over het oeuvre van Franco, afgezien van een zijdelingse vermelding van Venus in furs (1969) in het lemma van Klaus Kinski.
Succubus
Nu ik het verder onderzoek, ook bij Sylvia Koscina krijgt Franco een vermelding, voor zijn film Deadly Sanctuary (1969), eigenlijk Marquis de Sade: Justine.
Party people, party people Can y’all get funky? –“Planet Rock” (1982)
Afrika Bambaataa is DJ en bandleider in New York als hij in 1982 met “Planet Rock” doorbreekt. Het is een nummer waar ik niet zoveel aan vind behalve dat het twee tracks van persoonlijke lievelingen Kraftwerk samplet: “Trans Europe Express” (1977) en “Numbers” (1981). Ik las ergens — ik weet niet meer waar — dat de Kraftwerkers ooit in de legendarische discotheek Paradise Garage in New York hun muziek plots hoorden en daar heel opgetogen over waren.
In het “A – Z van Electro” uit 1996 van David Toop heeft Bambaataa de letter ‘B’:
‘Stadsastronaut Afrika Bambaataa en producer Arthur Baker, samen met muzikant John Robie, vormden het trio achter een muzikale revolutie genaamd ”Planet Rock”‘.
Niet verwonderlijk heeft Kraftwerk de letter ‘K’. Toop weer:
‘Kraftwerk waren de ‘showroom dummies’ die Bambaataa ertoe brachten zich achter de oren te krabben en te zeggen: “Excuses voor mijn taalgebruik, maar dit is echt rare shit”. […] Het idee muziek te maken met zakrekenmachines sprak jongeren aan die gewend waren om op vinyl te scratchen.’
Zo is het maar weer. Het was de tijd van de electro, toen de Roland TR-808 al op de markt was, maar techno nog geboren moest worden.
Meneer Crofts zat achter een liedje over een zomerbriesje, “Summer Breeze” uit 1972, prachtig gecoverd door Jackie Mittoo. Zijn co-auteur stierf al in 2022.
James Gadson drumde op een liedje over zelfexpressie, toepasselijk “Express Yourself” (1970) getiteld.
Maar Gadsons grooves hoor je ook op “Lean On Me” (1972) en “Use Me” (1972) van Bill Withers, “I Want You” (1976) van Marvin Gaye, “Love Hangover” (1976) van Diana Ross en “Got to Be Real” (1978) van Cheryl Lynn.
Wild ding, je laat mijn hart zingen Je maakt alles zo groovy, wild ding Wild ding, ik denk dat ik van je hou Maar ik wil het zeker weten!
Een paar dagen geleden stierf de Amerikaanse songschrijver Chip Taylor (1940 – 2026) de man achter “Wild Thing” (1965) en “Angel of the Morning” (1967), twee songs die er voor zouden moeten gezorgd hebben dat de brave man ‘binnen’ was, want het waren, denk ik, wereldhits.
Wie van ons heeft als tiener niet dronken rond het kampvuur “Wild Thing” meegebleird, ondertussen loerend en lonkend naar het “wild ding” dat hij of zij op het oog had, haar Hansje of zijn Grietje die de baby van de komende generatie in zijn of haar pupillen gebrand had staan maar die misschien niet de loerende blik beantwoordde maar andere ogen zocht? Ach, het genoegen, de teleurstelling, het drama, de verveling!
In de VS sterft actieheld Chuck Norris (1940 – 2026). In de documentaire Reel Bad Arabs (2006) staat Chuck Norris centraal als symbool voor de held die systematisch ‘slechte Arabieren’ bestrijdt. Regisseur Jack Shaheen analyseert hierin verschillende van diens projecten om aan te tonen hoe Hollywood een vijandbeeld creëerde.
De belangrijkste Chuck Norris-films die Shaheen bespreekt zijn The Delta Force (1986), Invasion U.S.A. (1985), Missing in Action (1984) en The President’s Man: Ground Zero (2002).
Ik ben geen complotdenker maar de link Hollywood-Israël wordt in deze docu wél uitgespeeld. Voor zover ik me herinner werden nogal wat films die in Reel Bad Arabs aan bod komen, door een productiemaatschappij met Israëlische roots gefinancierd en geproduceerd. En natuurlijk anti-dateren vele van deze films 9/11, in zekere zin was de fictie een voorafspiegeling van de brute werkelijkheid.
Wie geen zin heeft om Orientalism (1978) van Edward Said (1935 – 2003) te doorploegen, kan ik van harte Reel Bad Arabs aanbevelen.