Nooit geweten dat ze ooit een boek over Monroe schreef [ik toon de cover van het boek van Gloria Steinem over Marilyn Monroe ].
Wel al lang geweten dat ze dit schreef, een giftige opmerking over pornografie:
‘Erotiek verschilt net zozeer van pornografie als liefde van verkrachting, als waardigheid van vernedering, als partnerschap van slavernij, als plezier van pijn.’–”Erotica vs. Pornography” (1983) Gloria Steinem
Maar dat doet nu nog weinig ter zake want rust zacht Gloria.
In Buenos Aires stierf de van origine Oekraïense Jood Edgardo Cozarinsky.
La guerre d’un seul homme (1982)
Diens film La guerre d’un seul homme (1982) is een Franse documentaire over de Duitse bezetting van Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Cozarinsky plaatst journaalbeelden naast fragmenten uit de dagboeken van de uiterst enigmatische Duitse schrijver en militair Ernst Jünger, die tijdens de oorlog in Parijs gestationeerd was.
Ik ga zitten op mijn divan. De ramen staan open want het is voor het eerst zacht. De wolven huilen hun zachte klaagzangen over Dodenstad. Ik druk op play en kijk naar De oorlog van een enkele man (1982).
‘Ik was op zoek naar een plek om rustig dood te gaan. Iemand stelde Brooklyn voor.’
Paul Auster
Het is de eerste zin van The Brooklyn Follies (2005) die ik staande las in Fnac Antwerpen en ik ben hem nooit meer vergeten. Als de eerste zin van een roman goed is, lijkt het of het halve werk erop zit.
Paul Auster op bezoek bij Apostrophes bij de publicatie van Moon Palace. Van alle volkeren nemen de Fransen de geschreven fictie het meest aux serieux. Bovendien is het het enige land waar je romans in de supermarkten vindt, denk ik, maar ik kan me daarover vergissen.
Paul Auster (1947 – 2024) sterft en het daagt me dat ik na dat zinnetje nooit meer iets van de Amerikaan las en nooit meer aan hem heb gedacht. Van Martin Amis las ik meer. En door diens Time’s Arrow moest ik zeker drie à vier keer per jaar aan de Brit denken, die ongeveer even oud als Auster is. Ik krijg de neiging die twee te vergelijken en vind een boek over autofictie.
Bij dageraad, mijn doodgraver Jahsonic en ik staan tussen de mausolea van het westen. Voor ons staat de in ochtendnevels gehulde doodskist van John Barth (1930 – 2024).
–‘In 1967 schreef John Barth een stuk met de titel “The Literature of Exhaustion” (1967), zegt mijn doodgraver, ‘hij vond dat de roman als medium uitgeput was en hij wilde die uitputting tot zijn onderwerp maken.’
–‘Zo win je altijd natuurlijk,’ zeg ik.
–‘U onderschat Barth. Hij was het die mijn aandacht vestigde op Thomas Brownes ongelofelijke dictum:
–‘Iedere mens is niet alleen zichzelf; mensen worden telkens opnieuw geleefd.’
–‘En wie was Browne?’
–‘Schrijver van Religio Medici uit 1643.’
–‘Had hij het over reïncarnatie?’
–‘Dat denk ik niet, baas, hij was een christenmens. Maar voor ons postmodernen was het een heerlijke ontdekking, want het postmodernisme heeft altijd meer beroep gedaan op stereotypen dan op karakters van vlees en bloed.’
–‘Klinkt wat saai.’
–‘Integendeel, baas. Browne beweerde dat er al vele Diogenessen geweest zijn, en evenzoveel Timons.
Dat ik een zwak voor sciencefiction heb, weten mijn collega’s doodgravers maar al te goed. Dus dat Brian Stableford niet zomaar een dode is, dat zijn plotse aanwezigheid hier in Dodenstad mijn volledige aandacht opeist, is voor hen geen verrassing.
Stableford vertaalde Robida’s Le Vingtième Siècle (1883) naar het Engels.
Stableford was een Brits academicus, criticus en sciencefictionauteur met meer dan zeventig romans op zijn naam. Voor mij is hij vooral de man die heel wat teksten van steampunk-icoon Albert Robida en andere 19de-eeuwse Franse schrijvers binnen het speculatieve idioom vertaalde. Robida schreef een belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van de toekomst, Stablefords vertalingen houden zijn herinnering in leven.
Antonio Negri stierf in Frankrijk want in Italië mocht hij lange tijd niet meer binnen. Hij was daar door de Italiaanse overheid verbannen.
Screenshot uit Marx Reloaded
Men achtte Antonio Negri in Italië medeverantwoordelijk voor de algemene sfeer tijdens de loden jaren, dus ook voor de doden die er vielen. Met de loden jaren bedoelt men de terroristische aanslagen die in de jaren tachtig gepleegd werden door extreemlinkse en in mindere mate door extreemrechtse organisaties. In Italië heetten die extreme communisten de Rode Brigades (Brigate Rosse). Hun broertjes en zusjes in Duitsland waren de Rote Armee Fraktion.
Ik vraag mij af wat het feit dat Negri in Franrijk aan de universiteit mocht gaan lesgeven heeft gedaan met de diplomatieke betrekkingen tussen die Italië en Frankrijk.
Bij ons zal alleen Anton Jäger – de zoon van Anne Teresa De Keersmaeker – iets zinnig over de dood van Antoni Negri kunnen zeggen, hij is de enige met wat baggage. Marxistische baggage bedoel ik dan want Jäger is een zelfverklaard marxist.
Het lijkt erop dat ik me heb vergaloppeerd in mijn laatdunkendheid over ‘meeslepen’ als romankwaliteit toen ik Bluets de hemel in prees.
De grafsteen van de denkbeeldige 19de-eeuwse Christabel LaMotte, de vrouw die even vreselijk verliefd wordt op de gehuwde Randolph Henry Ash als hij op haar.
Nu A. S. Byatt nog maar net koud is, verdiep ik mij in haar roman Possession (1990), vertaald in het Nederlands als Obsessie, en ik kijk naar de gelijknamige film die de Amerikaan Ken Kwapis ervan maakte met Gwyneth Paltrow.
Martin Walser was een Duits schrijver, de laatste van de generatie van Günter Grass en Heinrich Böll. Het was de generatie die zich nog bij de Hitlerjugend kon aansluiten en dat dan ook nog vaak deed omdat iedereen het deed.
Walser geciteerd in de Kritiek van de cynische rede van Sloterdijk.
Walser zal misschien best herinnerd worden om zijn uitspraak over het communisme en het kapitalisme.
Het zal wel afgunst zijn maar ik heb altijd een hekel gehad aan Hugo Claus. Nu ja, altijd, zo lang ik me kan herinneren, eind jaren zeventig begin jaren tachtig dus.
Ik weet nog precies hoeveel plezier het me verschafte dat De leeuw van Vlaanderen (1984), door Claus geregisseerd, een hopeloze mislukking bleek.
Het verdriet van België (1983) las ik uiteraard niet.
Vele jaren later, in 2021 was dat, moest ik eens glimlachen om een tekst van Claus, het korte verhaal “Een gezonde gangster” (1954). Ik zag daarin het bewijs dat ik niet per se bevooroordeeld was jegens de man die ik altijd zo’n kwal had gevonden.