‘Toen ik uit de portiek van Santa Croce tevoorschijn kwam, werd ik overvallen door een hevige hartklopping (hetzelfde symptoom dat in Berlijn een zenuwtoeval wordt genoemd); mijn innerlijke levensbron was plots opgedroogd en ik vreesde voortdurend al lopend op de grond te vallen.’
Dat lezen we in ‘Rome, Napels en Firenze’ (1817), een reisverslag van de Franse schrijver Stendhal (1783 – 1842), waarin hij vertelt hoe hij onwel wordt door de pracht van Firenze.
Die hartkloppingen waren honderdzestig jaar later de aanleiding om een nieuw syndroom te benoemen – het syndroom van Stendhal – een psychische aandoening die optreedt als iemand volledig overrompeld wordt door de schoonheid van kunst.
Ik ken twee Robert Irwins. De ene is een schrijver en leeft nog. Ik las ooit het boek Exquisite corpse van hem toen ik op vakantie was in Le Crotoy. Irwin blijkt ook een intellectuele tegenstander van Edward Said te zijn, zoals ik dat ben.
‘Confused visitors step out of the elevator and think they’re looking at an empty room,’ zegt de voice-over als het gaat over een van de eerste architecturale interventies van Irwin.
Maar de Robert Irwin die stierf was een visueel kunstenaar die ooit als abstract expressionist begon. Al vrij snel kwam hij tot de slotsom dat zijn werk in dat genre waardeloos was. Je kan een van zijn schilderijen nog zien op de hoes van The Trumpet Artistry of Chet Baker (1954). Nogal wat jazzplaten hadden hoezen met abstract expressionistische schilderijen want de band tussen jazz en abstract impressionisme was vrij innig. Beiden werden beschouwd als improvisatorische performancekunsten en deelden hetzelfde publiek.
Fernando Botero was een beeldend kunstenaar uit Colombia die wereldbekend werd met zijn schilderijen en sculpturen van zwaarlijvige, geblokte mensen.
Trailer van de 1998 documentaire
Botero zwom tegen de stroom in. Het menselijk lichaam was in zijn tijdsgewricht volledig uit de mode. Abstracte schilderkunst was al wat van tel was. Geen wonder dat de kunstwereld lauw reageerde op zijn werk. Maar bij mensen van buiten die kunstwereld was hij razend populair.
Strange City (2014) van Ilya en Emilia Kabakov in opbouw.
Een van mijn personeelsleden was vertrouwd met het werk en de persoon van Ilya Kabakov en nam mij even apart om me op diens belang te wijzen. Bij mij deed de naam geen belletjes rinkelen en ik was dan ook blij dat mijn doodgraver zo discreet was mij niet voor de hele ploeg voor schut te zetten. Hoe te verklaren dat ik deze van geboorte Oekraïense (dus Russische) kunstenaar niet kende?
Phantom of Desire (2003), gecureerd door Peter Weibel
Peter Weibel was een Oostenrijks kunstenaar en curator. Hij kan bijna niet anders dan een masochist geweest zijn. Ten eerste, hij liet zich in 1968 met een leiband op handen en voeten als hond meetronen door de straten van Wenen door Valie Export. Ten tweede, hij cureerde een tentoonstelling die getiteld was Phantom of Desire (2003), met als ondertitel Visions of Masochism in Art: Lustfantoom: een kijk op masochisme in de kunst, dat zou de Nederlandse titel kunnen zijn. Jammer dat Peter mij toen niet heeft uitgenodigd, ik was zeker gegaan.
Die performance met Valie was getiteld From the Portfolio of Doggedness, Uit het portfolio van hondsheid.
In Duitsland stierf de kunsthistoricus Hans Belting, of zoals men dat in het Duits zo mooi zegt: Kunstwissenschaftler, kunstwetenschapper dus. Wij zeggen kunsthistoricus of kunstcriticus, maar bij dat laatste denken wij eerder aan iemand die hedendaagse kunstwerken beoordeelt.
Vruchtzakdetail van De tuin der lusten van Bosch
Belting schreef in 2002 Hieronymus Bosch: Garten der Lüste een boekje helemaal gewijd aan het meest fantastische schilderijen aller tijden: De tuin der lusten van Bosch.
Belting kwam op mijn radar toen ik Sferen van Sloterdijk las in 2009. Dat boek toont op de cover het detail uit De tuin der lusten waar een man en een vrouw in een amniotische zak aan elkaar zitten te frunniken. Helaas scheen de vertaler van Belting niet te weten dat het om een vruchtzak ging en daarom had ik het in mijn boek De geschiedenis van de erotiek (2011) nog over een luchtbel in plaats van een vruchtzak.
Voor de rest van mijn beschrijving baseerde ik me wel op Belting en ik had het over ‘de barsten in de bel, de minuscule scheurtjes die onvermijdelijk elke bel van verliefdheid uiteindelijk doen openspatten, zodat de bewoners van de bel bedekt worden met een sluier van liefdesverdriet.’
Wavelength (1967), check the ‘actie’-scènes op 2:57, 17:27 en 28:58
Michael Snow was een Canadees kunstenaar bekend voor zijn film Wavelength (1967).
Het is het soort film waarin zo goed als niets gebeurt. De wavelength uit de titel laat zich vertalen als golflengte en dat is een woord dat mij interesseert als metafoor. Mensen kunnen bijvoorbeeld op dezelfde golflengte zitten, en dit sinds radio ontstond. Als je maar lang genoeg met je auto blijft rijden, en je verzet je knop niet, zal er altijd wel een nieuw radiostation op dezelfde golflengte verschijnen. Maar als je met iemand op dezelfde golflengte zit, hou je er hetzelfde gedachtengoed op na.
Er zijn nog andere metaforen uit de technische wereld die gebruikt worden om interpersoonlijke relaties te beschrijven.
Na Goethe konden mensen ook affiniteit met elkaar hebben, een chemische term. Goethe schreef namelijk een roman die Die Wahlverwandtschaften getiteld was, letterlijk vertaald als electieve affiniteiten maar bij ons in de handel gebracht als gewoonweg Affiniteiten. Een chemische affiniteit is de sterkte waarmee twee moleculen zich aan elkaar zullen koppelen. Tussen mensen kunnen er ook affiniteiten bestaan. En tussen mensen en dingen ook.
Tussen twee mensen kan er een vonk overspringen, een elektrische term. ‘Plots sprong er een vonk over en ik werd op slag verliefd’.
En klikken! Zoals: ‘Het klikte niet tussen ons.’ Klikken komt dan uit de mechanica, stel ik me voor, misschien uit de uurwerkenbouw, ik weet het niet zeker, ik heb het niet verder onderzocht.
Tot zover dat soort metaforen.
Die film Wavelength (1967) is zoals Jeanne Dielman waarover ik me onlangs enigszins opwond, onbekijkbaar.
Robert Stam zei daar in 2005 iets verhelderend over:
‘Werken zoals ‘Jeanne Dielman’ van Chantal Ackerman, ‘Wavelength’ van Michael Snow, ‘The Chronicle of Anna Magdalena Bach’ van Straub en Huillet, en ‘Sleep’ van Andy Warhol’, zei hij, ‘bestaan bijna helemaal uit scènes die zich ontvouwen met de nadrukkelijkheid en traagheid van de gebeurtenissen zelf.’
Robert Stam
Juist.
Hij noemt dat isochronie.
En isochroon is alles wat cinema niet hoort te zijn. Daarom verdraag ik alleen Sleep van Warhol omdat die tot het uiterste gaat en elke pretentie tot narratief opgeeft. Geen compromissen daar, gewoon een slapende man. Niet dat ik Sleep gezien heb, nee, ik lees daar wel graag over, maar kijken? Ho maar.
Nu ik erover nadenk, ook de stasisfilms (films waarin niets gebeurt) van Guy Debord verdraag ik weldegelijk. Ten eerste; gewoon omdat ik erg gefascineerd ben door het extreme van Debord. En ten tweede omdat in films zoals Hurlements en faveur de Sade letterlijk niets gebeurt. Er zijn minutenlange totale witte en totale zwarte shots; bovendien helemaal geluidloos. Extreem dus. Zonder een toegeving. Met een totale minachting van het publiek.
In zekere zin vind ik dat Snow zijn publiek te weinig minacht. Net als Chantal Akerman met haar Jeanne Dielman.