‘Gevangenissen en inrichtingen voor geesteszieken, waar recalcitrante of slecht aangepaste burgers opgeborgen worden, zijn de vieze geheimen van de beschaafde maatschappij.’
De film als taboebreker (1974)
Variétéshow in Titicut Follies
Het bovenstaand citaat komt uit het boek De film als taboebreker (1974) en slaat op Titicut Follies (1967), een film van Frederick Wiseman, de Amerikaanse filmmaker die zopas overleed en die vooral gekend is voor die specifieke documentaire, echt een gruwel om naar te kijken. Je ziet er hoe slecht patiënten behandeld worden in de toenmalige psychiatrische instellingen en vooral hoe sommigen er echt niet op hun plaats zitten. Onder andere patiënt Vladimir lijkt helemaal normaal.
De Amerikaanse acteur Gene Hackman stierf. Hij is gekend voor rollen in Bonnie and Clyde (1967), The French Connection (1971), The Conversation (1974), Mississippi Burning (1988), Unforgiven (1992) en The Royal Tenenbaums (2001).
De Franse connectie waarvan sprake is in The French Connection (1971) verwijst naar de heroïnesmokkel tussen de VS, Turkije en Frankrijk in de jaren zestig van de twintigste eeuw. Daar is een heel goede docu over gemaakt door de BBC.
De slotscène van The Conversation (1974)
Maar het is de paranoiathriller The Conversation (1974) die ik het meeste koester. Gene speelt er een afluisteraar die bij het slot van de film doorheeft dat hij zelf afgeluisterd wordt, daarop heel zijn appartement opbreekt en er niet in slaagt de apparatuur te vinden.
Daarop begint onze vervreemde luistervink een eenzame saxofoonmelodie te spelen en dat is het einde van de film.
Ook voor de acteur kwam het einde, naar het schijnt in verdachte omstandigheden. Desalniettemin, rust zacht Gene.
Voor deze dode laat ik graag mijn doodgraver Jahsonic aan het woord:
‘Ik herinner me nog heel duidelijk hoe ik op een schooluitstap naar Rotterdam een bezoek bracht aan het museum van hedendaagse kunst en er een ‘schilderij’ zag bestaande uit resten van een maaltijd die met lijm op een houten plaat waren gekleefd en vervolgens tegen de muur waren gehangen en als ‘schilderij’ gepresenteerd.
De originele Franse uitgave van Topographie anecdotée du hasard (1962)
‘Was ik veertien, vijftien of zestien? Was het Rotterdam, zo ja welk museum? In hetzelfde museum zag ik ook mijn eerste Lucio Fontana snijschilderij en in de namiddag, toen wij vrij waren, kocht ik een reep witte chocolade van het merk Galak.
De Amerikaanse cinema telt voortaan een ster minder. Geen nood, een heleboel sterren-in-wording staan aan te schuiven om haar plaats in te nemen. Gena Rowlands was een cult-ster. Toch vond Danny Peary, auteur van Cult movie stars (1996) het niet opportuun haar in zijn gids op te nemen. Teveel pretentie? Teveel kunstambities? Teveel sérieux? Wie zal het zeggen.
Gena was getrouwd met filmmaker John Cassavetes (1929 – 1989) en ze speelde in tien van zijn onafhankelijk geproduceerde films. Men heeft die films beschreven als intens, rauw, met diepgaande verkenningen van de menselijke natuur.
Minnie and Moskowitz (1971). De parkeerwachter doet Gena een huwelijksaanzoek.
Minnie and Moskowitz (1971) is zo’n Cassavetes film waar Rowlands een museumconservator speelt die na een relatiebreuk – ontgoocheld in de liefde – met parkeerwachter (Seymour Cassel) in bed belandt. Ze probeert nog van hem af te geraken want de parkeerwachter is lang zo knap niet en een beetje ordinair en ook wat raar, maar het lukt haar niet, ze kan hem niet van haar afschudden, en zo erg is dat ook niet want alleen is maar alleen, nietwaar?
Bij dageraad, mijn doodgraver Jahsonic en ik staan tussen de mausolea van het westen. Voor ons staat de in ochtendnevels gehulde doodskist van John Barth (1930 – 2024).
–‘In 1967 schreef John Barth een stuk met de titel “The Literature of Exhaustion” (1967), zegt mijn doodgraver, ‘hij vond dat de roman als medium uitgeput was en hij wilde die uitputting tot zijn onderwerp maken.’
–‘Zo win je altijd natuurlijk,’ zeg ik.
–‘U onderschat Barth. Hij was het die mijn aandacht vestigde op Thomas Brownes ongelofelijke dictum:
–‘Iedere mens is niet alleen zichzelf; mensen worden telkens opnieuw geleefd.’
–‘En wie was Browne?’
–‘Schrijver van Religio Medici uit 1643.’
–‘Had hij het over reïncarnatie?’
–‘Dat denk ik niet, baas, hij was een christenmens. Maar voor ons postmodernen was het een heerlijke ontdekking, want het postmodernisme heeft altijd meer beroep gedaan op stereotypen dan op karakters van vlees en bloed.’
–‘Klinkt wat saai.’
–‘Integendeel, baas. Browne beweerde dat er al vele Diogenessen geweest zijn, en evenzoveel Timons.
Ik heb het gevoel dat ik de Spaanse actrice, danseres en zangeres Carmen Sevilla oneer aandoe door enkel haar flamenco-act in Europa di notte (1959) te tonen maar ik troost mij met de gedachte dat ik bij het overlijden van Gina Lollobrigida net hetzelfde deed. Magere troost. Ik schiet tekort. Maar is het mij daar ook niet om te doen? De kortst mogelijke connectie maken naar mijn universum? En het hart daarvan blijft allerlei lusten.
Europa di notte (1959). Carmen Sevilla danst flamenco op een uur en twintig minuten.Continue reading →
Een interview met Mary Quant voor de Canadese televisie uit 1966 waarin ze mooi van zich afbijt op de erg sturende vragen van de interviewer over hoe de minirok de mystiek aan de vrouw onttrekt en nog meer van dit soort nonsensvragen zoals deze : ‘wat met de Engelse roos dan?’.Continue reading →
Franz Gertsch was een Zwitsers schilder die op grote doeken hyperrealistische schilderijen maakte. Vooral portretten maar ook landschappen. Hij is een van de weinige Europese hyperrealisten. De naoorlogse trend om met fotografische precisie te gaan schilderen vond immers vooral ingang in de Verenigde Staten.
In België zijn drie hyperrealisten het vermelden waard: Roland Delcol, Roger Wittevrongel en Marcel Maeyer.